Volgende week worden weer de lintjes uitgereikt: de koninklijke onderscheidingen in de Orde van Oranje-Nassau. Want het heeft Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander weer eens behaagd om enkele onderdanen te belonen voor hun hobby, waarbij je in deze regio de grootste kans op een lintje hebt als je langdurig de kas van de kerk beheert, ‘iets’ doet met kinderen of hulpbehoevenden in Oost-Europa een hart onder de riem steekt.

Behagen betekent iets aangenaam vinden. Onze vorst vindt het dus prettig om zijn handtekening te laten zetten op een oorkonde voor honderden Nederlanders die door anderen zijn voorgedragen. Want zo werkt dat: anderen moeten u voordragen. En als je fanatieke ‘voordragers’ hebt maak je meer kans dat wanneer jouw clubleden van de lauwe kant zijn.

U zult niet overspoeld worden met beelden van de gelukkigen, want de gemeentelijke persdienst wil er liever geen fotografen bij. Ze hebben tegenwoordig zelf een smartphone waarmee ze in de buitenlucht redelijke kiekjes kunnen maken. En dat is al maanden zo.
Tot een jaar geleden deden allerlei lokale mediums verslag van openingen van zwem-, asperge- of cultuurseizoenen, er werd melding gemaakt van het doorknippen van linten bij nieuwbouwprojecten en als er weer eens een medaille werd uitgereikt vanwege langdurig kerkbezoek met bijbehorende vrijwillige verplichtingen stonden de fotografen klaar om de tranen van ontroering vast te leggen.

Nu merk je er vrijwel niets meer van. Je ziet soms nog wel eens een berichtje op sociale media van de gemeentevoorlichters zelf, maar dat is het wel zo’n beetje. Geen pottenkijkers erbij, maar alles zelf in de hand houden. Met corona heeft dit niks te maken, want de mediamensen weten inmiddels wel hoe je een mondkapje bevestigt en hoeveel anderhalve meter afstand is.

Nou ja, behalve voor de ontvangers van een lintje zegt het anderen niet meer zoveel als vroeger. Omdat niet altijd degenen een lintje krijgen die het echt verdienen, zoals Willem Wilmink schreef in een liedje voor Herman van Veen:

Als ik hier koning was, kwam er een lintjesregen
maar wie tot nu toe de allerhoogste lintjes kregen
die kwamen dan niet eens meer in de krant.
Ja, voor die meiden die zwakzinnigen verplegen
zou ik de hoogste onderscheiding overwegen,
iets heel bijzonders in de adelstand,
als ik de koning was van Nederland.

Al wie door weer en wind met hout en stenen sjouwen
en onze huizen en de ziekenhuizen bouwen,
ze werden commandeur of adjudant.
Dan mocht de vuilnisman zich als baron beschouwen
en zou de bakker met een douairière trouwen.
De boer werd ridder van de kousenband,
als ik de koning was van Nederland.