Woonwagenkamp Stobbenhaar

“In een vorig nummer schreven wij over een woonwagenbewoner, wiens woonwagen op de Gramsbergerweg in elkaar was gereden. Deze man verblijft nu op het woonwagenkamp Stobbenhaar. Hij wilde vorige week met zijn vrouw op de fiets naar Hardenberg en vroeg een bij hem inwonende zwager even op de kinderen te passen. De zwager moest tevens dienst doen als brandkast en dus kreeg hij een portefeuille met bijna 300 gulden in bewaring. Maar, beste lezer, u voelt het al aankomen: de zwager voelde zich de koning te rijk, ‘leende’ een fiets van een andere kampbewoner en ging er in Gerrit Schulte-tempo vandoor. Tot op heden kwam hij nog niet terug. Tja, van je familie moet je ’t maar hebben!”

Dat schreef de journalist van de Dedemsvaartse Courant in oktober 1949. Ter toelichting: woonwagenkamp Stobbenhaar bevond zich zo’n beetje op de kruising van de Hoogenweg met de Stobbenhaarweg, dicht bij de grensovergang Venebrugge. En Gerrit Schulte was een populaire Nederlandse wielrenner, in de tijd rond de Tweede Wereldoorlog. In totaal haalde hij ruim 100 overwinningen op de weg en meer dan 200 op de baan.

Vervolg
Een maand later kon de krant een vervolg geven aan het verhaal over de diefstal.
“Enige weken geleden schreven we over een diefstal van een rijwiel en een portefeuille met ongeveer 300 gulden in het woonwagenkamp alhier. De dief, een jeugdige zwerver, werd dezer dagen in Amsterdam gegrepen. De veelbelovende jongeling had een week lang op de Zeedijk veel plezier gemaakt met de centen en toen die er doorgedraaid waren, was het met het mooie leventje natuurlijk afgelopen. Hij ging weer aan het zwerven totdat hij door de Amsterdamse politie werd ingerekend en naar Hardenberg werd getransporteerd.”

Aangewezen
Het terrein ten zuiden van de weg naar de Stobbenhaar was in 1930 door de gemeente Stad Hardenberg als woonwagenkamp aangewezen. Hiermee werd voldaan aan de eis in de Wet op de Woonwagens en Woonschepen, dat elke gemeente een plek voor woonwagens moest hebben.

Drie jaar later stelt raadslid Prenger de watervoorziening op het kamp aan de orde. Hij zou graag zien dat op het terrein een pomp of put werd aangebracht, omdat de omwonenden van het kamp veel hinder ondervinden van de woonwagenbewoners. Zijn plan gaat echter niet door: de burgemeester denkt dat de put al snel verontreinigd zal worden en dat de gemeente veel onderhoud moet plegen. De meerderheid van de raad steunt zijn redenering en er komt geen pomp of put.

Verwaarlozing
Het jaar erop, in 1934, vestigt raadslid Van Loo de aandacht op het woonwagenkamp. Het ziet er daar droevig uit. De schuilplaats voor paarden is er verwaarloosd. Het is een plek…
…. waar de mensen graag staan, vult burgemeester Bramer aan.
Volgens de burgemeester is het onbegonnen werk om ook maar iets aan het kamp te verbeteren. “Alles wat maar bruikbaar geacht kan worden nemen ze mee. Er is een privaat (=toilet) gebouwd, maar het is droevig hoe het daar nu mee is gesteld. Men kan er geen gebruik van maken. Alles wat waarde heeft schijnt men daar maar te verkopen.”

Na de oorlog
Toen de Duitse bezetter in 1941 de gemeenten Stad Hardenberg en Ambt Hardenberg samenvoegde, waren er twee plekken aangewezen voor een woonwagenkamp: op de kruising bij de Stobbenhaarweg en in Collendoorn, bij de voormalige openbare lagere school. Enkele jaren later had Hardenberg officieel geen enkele plek meer voor woonwagenbewoners, omdat de oude besluiten over de woonwagenkampen door de NSB-burgemeester vervallen waren verklaard. Maar omdat in de Politieverordening stond dat het verboden was met een woonwagen in de gemeente te verblijven, moest er na de oorlog snel een nieuwe plek voor woonwagens worden aangewezen. De gemeenteraad besloot in 1946 dat Stobbenhaar maar weer die plek moest worden, ondanks gesputter van de buurtbewoners.

Drie jaar later kwam het kamp weer ter sprake tijdens een raadsvergadering. De gemeenteraad wilde niet langer dat huisvuil in een oude Vechtarm vlak bij Hardenberg-centrum werd gedumpt. Slecht voor de gezondheid en bovendien was daar woningbouw gepland. B&W hadden al een ander terrein op het oog, in Collendoornerveen, aan de weg naar het Haantje in Lutten. Eigenaar Overweg wilde het stuk grond van bijna 7 hectare wel verkopen voor 6.000 gulden.

Goed idee, vond de gemeenteraad, want dan kon meteen een tweede probleem worden opgelost, namelijk de verplaatsing van het woonwagenkamp. Het kamp aan de Stobbenhaarweg gaf zoveel overlast in de omgeving dat het daar weg moest. In Collendoornerveen woonde vrijwel geen mens zodat daar weinig problemen werden verwacht. Enkele raadsleden dreigden nog even roet in het eten te gooien omdat ze vonden dat 6.000 gulden wel erg veel geld was voor het stuk heidegrond van Overweg, maar als het echt zou lukken om het woonwagenkamp te verplaatsen wilden ze het voorstel van B&W wel steunen.

Het stuk heidegrond werd geschikt gemaakt voor de komst van woonwagens en er werd een weg van 150 meter lengte naar het kamp toe aangelegd. In april 951 kon het Salland’s Volksblad melden dat de eerste woonwagenbewoners op het kamp waren aangekomen en dat het woonwagenkamp Stobbenhaar opgeheven kon worden.